Vlinders worden geboren als eitje . Uit dat eitje komt een rups , de rups verandert in een pop , en uit de pop komt de vlinder . Een metamorfose noemen we dat . We zullen dit uitleggen .
Eitjes van vlinders zijn zo klein als speldenknopjes . Meestal zijn ze rond . De eitjes van het koolwitje lijken op piepkleine citroentjes . In de eitjes groeien rupsen . Als ze na een dag of vijftien groot genoeg zijn , kruipen ze uit het ei . Dan begint de volgende fase .
Het enige wat rupsen doen is eten , eten en nog eens eten . Ze kunnen planten helemaal kaal eten . De rups van de vlindersoort koolwitje is dol op bladeren van de kool . Andere rupsen houden weer van andere planten . Planten waar rupsen graag van eten noemen we waardplanten . De waardplant van de dagpauwoog bijvoorbeeld is de brandnetel . Rupsen groeien natuurlijk flink van al dat eten . Daarom vervellen ze . Ongeveer vier keer in hun korte leven barsten ze uit hun vel . Onder dat oude vel is een nieuwe en ruimere huid gegroeid . Dan kunnen ze weer verder eten .
Als de rups zich helemaal rond heeft gegeten , gebeurt er iets bijzonders . De rups spint een cocon om zich heen . In dat huisje van draden kan hij in alle rust veranderen in een vlinder . Hij eet niet meer en hij beweegt niet meer . Een rups in een cocon heet een pop . Poppen hangen soms aan takjes of blaadjes in de boom . Andere poppen graven zich een beetje in en liggen vlak onder de grond . Wat zich in de pop afspeelt lijkt wel een goocheltruc . Want na een tijdje is de rups veranderd in een vlinder .