Een boswachter is er om bossen en natuurgebieden in de gaten te houden . Hij zorgt ervoor dat de planten en dieren er goed kunnen leven . Hij weet alles van de flora en fauna . Dieren laten veel sporen na . Bijvoorbeeld veren , haren en pootafdrukken . Dan weet de boswachter welke dieren er in de buurt zijn . Een boswachter is veel buiten . Hij loopt in zijn werkgebied rond . Zo’n werkgebied kan een bos zijn , maar ook een duin , heideveld , riviergebied en weidegebied . Als een gebied groot is , werken er ook wel meerdere boswachters samen .
Een boswachter organiseert vaak excursies . Dat zijn uitstapjes in de natuur . Verder maakt de boswachter folders , zet wandeltochten uit en werkt mee aan een tentoonstelling in een bezoekerscentrum . Een boswachter let er ook op dat wandelaars zich aan de regels houden . In natuurgebieden zijn strenge regels . Dat moet ook wel . Anders zou er van de natuur misschien niet veel overblijven . De boswachter speelt dus ook een beetje voor politieagent . Honden moeten aan de lijn . Paarden moeten op de ruiterpaden . En afval hoort in de prullenbakken .
Boswachters houden goed bij welke planten en dieren er in hun gebied leven . Ze tellen de planten en dieren ook . Dat heet inventariseren . Vrijwilligers helpen de boswachter daar vaak bij . Als er opeens een plant of diersoort minder is , zoekt de boswachter uit hoe dat komt . Hij zal er alles aan doen om de plant of dier terug te krijgen . Hij overlegt ook met de boswachters uit andere gebieden . En met mensen van de gemeente en provincie . Soms worden er dan maatregelen afgesproken om een plant of diersoort te redden .